In de jaren zeventig vielen onder meer het NS-station, het Schuttershof en de Mattheus Smallegangesbuurt ten prooi aan de slopershamer. Ook de deels verpauperde Sint-Jacobstraat en de al even schilderachtig vervallen Bocht van Guinea stonden op de nominatie te worden afgebroken. Jammer toch, vond de dinsdag overleden Goese architect Maarten van Doorn. Hij maakte vrijblijvend een schetsje voor de restauratie van enkele panden. Dat leidde tot omvangrijke rehabilitatieprojecten in het stadscentrum. Ook in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, Pyntorenstraat en - in Kloetinge - aan het Geertesplein werden naar Van Doorns plannen oude panden tot appartementen verbouwd en gaten opgevuld met nieuwbouw in aangepaste stijl. Onder zijn leiding werden verder het Manhuis-Weeshuiscomplex en de Houtloodsen aan de Albert Joachimikade gerestaureerd.
De architect ontwierp ook scholen, bedrijfspanden en woonhuizen. Ingetogen, bescheiden en dienende ontwerpen met oog voor details. De aard van Van Doorn werd erin weerspiegeld.
Van Doorn begon zijn carrière als tekenaar bij het architectenbureau Rothuizen en 't Hooft. Later richtte hij een eigen kantoor op, dat in 1993 - Van Doorn had zich er zelf toen al uit teruggetrokken - samenging met Rothuizen en 't Hooft. Om zijn betekenis als architect te onderstrepen werd de naam van dat bureau gewijzigd: Rothuizen van Doorn 't Hooft.
Voor zijn rol als stadsvernieuwer kreeg Van Doorn in 1990 de culturele prijs van Goes. De gemeente Borsele, waar hij als kwaliteitscoördinator actief was, eerde hem met de Maarten van Doorn-prijs voor vernieuwende ontwerpen.
|